Zondagskind Johann Conrad Friedrich (Joop) Berkhout

Verhaal bij de allereerste foto van zondagskind Joop Berkhout
(Johann Conrad Friedrich)

Johann Conrad Friedrich Berkhout, Amsterdam 1931

Johann Conrad Friedrich Berkhout (Joop), Amsterdam 1931

Amsterdam, 11 januari 1931. Het is zondag. Die dag, precies 83 jaren geleden, is het fris in Amsterdam. De zuidwestenwind draaikolkt over het Kattenburgerplein en schuurt de woning aan de Kattenburgervoorstraat 29. Het is amper 2 graden boven nul, maar door de wind voelt het alsof het behoorlijk vriest. De zon heeft zich de hele dag niet laten zien. Het is grijs en grauw buiten en af en toe valt er een drupje regen. De voorspelde sneeuwval blijft uit.

“Gelukkig maar, want anders is die vroedvrouw nooit op tijd”, denkt Manus Berkhout, terwijl hij half opgevouwen in zijn rookstoel naar het uitgezette bed in de kamer kijkt waar zijn vrouw Grietje voorover gebogen de weeën wegpuft. “Komt ze er al aan Manie? Ik voel dat het écht zo gaat gebeuren. Wil je gaan kijken of ze eraan komt?”

Manus staat op uit zijn stoel, loopt naar het raam en kijkt vanaf vanaf de bel-etage over het plein. In de verte ziet hij twee mensen en een kind door de grijzige natte lucht dichterbij komen en daarachter beweegt ook nog iets. Een lange magere vrouw met naast zich de onmiskenbare gestalte van de kleine, haast huppelende en ietwat gebochelde vrouw, in wie hij direct zijn oude moedertje herkent, ziet hij snel dichterbij komen. Aan haar hand rent haar 11-jarige kleindochter Annie, de oudste van Manus en Grietje. 15 meter erachter holt kleine Manus van 7,5, zo snel als zijn beentjes hem kunnen dragen, achter het trio aan.

Manus schudt in zijn warme woning zijn hoofd en glimlacht. “Allebei het karakter van mijn moeder, die kinderen. Ze wilden alle drie de vroedvrouw halen omdat ze alle drie bang waren dat die vrouw anders te laat zou komen voor de bevalling. Ze zijn mooi op tijd”, zegt hij tegen Grietje. Hij lacht haar toe, maar de groef in zijn voorhoofd verraadt zijn angst. Hij heeft vanaf het begin van de zwangerschap getwijfeld of er nog wel een kind had moeten komen. Grietje is een paar jaren door de TBC zo ziek geweest, dat haar gestel niet meer de kracht van vroeger heeft. Nog aan een derde kind beginnen was niet bepaald verantwoord. Maar Grietje wilde zo graag nog een keer moeder worden na die jaren van ziekte, waarin ze haar twee kinderen Annie en kleine Manus maar heel weinig aandacht kon geven door haar opnames in het rusthuis in het Gooi. En daarom gaf haar anders zo onverbiddelijke Manie toch maar toe.

Grietje ziet de angst in de ogen van haar man en fluistert tussen het puffen door geruststellende woorden. “Wees niet bang Manie. Het gaat allemaal goed komen. Ik weet het zeker. En als die kleine er straks is….”. Ze kan haar zin niet afmaken. Ze voelt haar water breken, precies op het moment dat de deur open zwaait en de lijzige vroedvrouw met de rest van de Berkhouten naar binnenstormt. “Heeft u het water al opgezet? Waar is het kokende water, ik moet het nú hebben! En die kleine kinderen moeten meteen naar de achterkamer toe. Dit is geen toneelstukje wat gaat komen!”, roept ze Manus toe, nadat ze in één oogopslag de toestand in de voorkamer heeft opgenomen.

Een uur later ligt een piepklein blakend roze jongetje tevreden in de armen van zijn moeder. Terwijl hij uitzonderlijk rustig tegen z’n moeder gevlijd ligt, kan zij zich niet stilhouden. Onophoudelijk vloeien haar tranen. De tranen van geluk. Het zou bijzonder zijn als ze de enige daarin was in het Kattenburgse gezinnetje. Manus en de twee kinderen, Annie en kleine Manus, huilen net zo hard mee. “Echt wat voor Berkhouten hoor”, roept opoe Berkhout, de moeder van Manus. Normaal is de oude vrouw stokdoof, maar het tranenspel ontgaat haar niet. “Janken en janken. Grote woorden, maar kleine hartjes. Precies mijn ouwe Coen. En trouwens, hoe gaan jullie de kleine eigenlijk noemen? Annie heb je naar mij vernoemd en Manus naar jezelf en je grootvader. Wordt deze kleine dan eindelijk een Coen, of wordt het Piet naar Grietje haar vader?”

Grietje Berkhout-van Gijzel kijkt uit het raam (linksonder) van haar woning aan de Kattenburgervoorstraat 29 in Amsterdam, september 1961. Hier werden alle vier kinderen, Annie (1920), Manus jr. (1923), Joop (1931) en Grietje jr. (1934) geboren.

“Vader zal het niet lang meer maken, hij is zo vreselijk ziek. Ik wil ons kind naar hem vernoemen. Volledig en precies zoals hij. Johann Conrad Friedrich. Dat hebben Griet en ik afgesproken”, zegt Manus. Grietje kijkt naar haar zoontje. Ze streelt zijn gezichtje en aait over zijn handjes. “Maar jou noemen we Joop en niet dat traditionele Coen. Want daar zijn er al wel dertien van in de familie inmiddels. Je vader kan op zijn kop gaan staan, maar jij bent uniek kereltje en je moet daarom ook een unieke roepnaam hebben. Joop, zó zal iedereen je noemen. Joop, mijn kleine zondagskindje…”

Hans Berkhout, 11 januari 2014 (oomzegger van Joop).

Dit bericht is geplaatst in Geen categorie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>